Recht van collatie te Woldendorp

Inleiding

Hieronder enkele van de langere vermeldingen die betrekking hebben op de rechtszaken tussen de heer oud rekenmeester L. Wijchgel te Schildwolde en diverse ingezetenen te Woldendorp over het recht van collatie aldaar.

Het recht van collatie was een recht waarmee men deel kon nemen aan de verkiezing van een nieuwe predikant, kerkvoogd of schoolmeester. Dat recht was vaak verbonden aan een boerderij met een bepaalde omvang.

Het gaat hier niet om een zaak maar om diverse met elkaar in verband staande zaken. Wegens de omvang heb ik hier een selectie gemaakt van de vele vermeldingen op de diverse rechtdagen.

Vooral in 1777 en 1778 als het tot een hoogtepunt komt lopen er vele zaken gelijktijdig: van elk van zijn tien stemmen in de collatie heeft de heer Wijchgel een zaak lopen en daarnaast zijn er nog een aantal. Diverse keren zijn het ook korte vermeldingen omdat de zaak steeds weer wordt uitgesteld en er zijn ook enkele tussen vonnissen.

Verder blijkt uit diverse bijgesloten cedullen (voor elk van de tien stemmen is er apart een briefje!) dat na de zaak er hoger beroep is aangetekend bij de Hoge Justitie Kamer te Groningen. Voor belangstellenden zal daar dan ook nog wel het nodige gevonden kunnen worden.

Inv.nr. 6343, (26 januari 1771)

De hr rekenmeester L. Wijchel C Benno Hiddema tot Finserwold per wetebrieff gede

Uit de naam van de hr impetr. wierde gecontendeert tot confirmatie van deszelvs genomene conclusie, ten eijnde gij an den impetr, als cragt sibtal daartoe geregtigt, in naarcoop zult moeten cederen en afstaan sodaane tijn stemmen off collatien tot Woldendorp, als gij van de heer solliciteur H. Wijchel bij versegeling van den 18 8ber 1770, waarin alles breder vermeld, voor agt en twintig hondert glds hebt angekogt.

Welke coopschat met nog vier ducaten daar en boven wegens intressen en costen u geregtelijk zijn gepraesenteert in dato den 24 9ber 1770 en bij uwe non acceptatie na dato in regtshanden sijn geconsigneert, praesenterende de impet voorts alle regtelijke requisita te voldoen, en u gedaagde in alles na regte schaedeloos te houden, bij foute van dien gedogen provisie als na regte.

Gede absent en niemant wegens deselve zijnde gecompareert. Heeft 't h. edl. gerichte ten verzoeke van de hr impetr wegens absentie van gede deselve in de eerste contumacie getekent en 5 mark breuk.

Vervolgens op diverse volgende rechtdagen vermeldingen die hier niet zijn overgenomen.

Inv.nr. 6343, (17 augustus 1771)

De hr L. Wijchel C De e. Benno Heddema per wetebrieff gede

Parthien bij derzelver ingediende verbalen, bij hen zelven vertekent, latende tekenen cragt conventie, so meede extradeerden, te zijn geconvenieert, met verzoek van deselve ten prothocolle te insereren.

Luidende de conventie, wij ondergeschreven de hr. rekenmr. L. Wijchel, woonagtig te Schilwolda, en de e. Benno Heddema, woonagtig te Finserwold, onderling quaestieus zijnde geweest nopens het verkopen van verscheijde collatien tot Woldendorp, so de e. Benno Heddema hadde gekogt.

Welke door de hr rekenmeester L. Wijchel cragt sibtal waeren genaart, en daarover bij 't h. edle gerichte van 't Cleij Oldambt een proces op de ordinaire rolle hadde gelopen, verklaeren bij desen te zijn geconvenieert, dat 't proces zal werden opgeheven.

Konnende gedogen dat 't geld ter somma van twee duisend agt hondert een en twintig glds, so de hr rekenmr. L. Wijchel bij de gerichts wedman van 't Cleij Oldambt H. Schenkel waaren gedeponeert, an de e. Benno Heddema worden getelt en geextradeert, actum Termunten den 17 augsti 1771.

onderst. L. Wijchel, Benno Heddema

Heeft 't h. edle gerichte ten parthien versoeke de conventie in dier voegen geextradeert, ad acta gebragt.

Inv.nr. 6343, (Woldendorp, den 24 7br 1771)

Ingevolge kerk condinge op drie gewone zondaegen door mij ondergeschreven zijnde gevaceert in choro templi te Woldendorp, om aldaar de stemmen tot de nominatie van een nieuw praedicant in 't carspel Woldendorp in te nemen, en aldaar geformeert een register der comparerende personen, so vermeende een stem te hebben tot de nominatie van een nieuw praedicant te Woldendorp, van inhoudt.

De kerkvoogden een stem.

De ouderlingen een stem.

De diaconen een stem.

De hr rekenmr. Wijchel een stem

De e. Cornellijs Fockes een stem.

De hr. rekenmr. Wijchel een stem.

De hr. doctor Benes een stem.

De hr. rekenmr. Wijchel een stem.

De hr. doctor Benes een stem.

De hr. rekenmr. Wijchel een stem.

De e. L. Tonkens een stem.

De hr. rekemr. Wijchel een stem.

De e. Menso Hilkes een stem.

De hr rekemr. Wijchel een stem.

De e. Wiete Luitjens een stem.

De hr. rekemr. Wijchel een stem.

De e. Jan Jans een stem.

De hr. rekenmr. Wijchel een stem.

De e. Ento Tonkens een stem.

De hr. rekenmr. Wijchel een stem.

De hren. Eltjo en Tamme Sijpkens een stem.

De hr. rekenmr. Wijchel een stem.

De e. Jan Derks een stem.

De e. Focke Gerrijts een stem.

Waarop zijnde getreden tot de stemminge en opgeroepen de stem der kerkvoogden is gebleken dien stem te cesseren doordien de eene kerkvoogd Eedo Pieters niet was gequalificeert van deszelvs meede kerkvoogd de hr. solliciteur H. Wijchel.

Die der ouderlingen is geadmitteert.

Der diaconen geadmitteert.

De hr rekenmr. Wijchel vermeende tijn stemmen te hebben, funderende deselve in een vorige beroepinge op de dnus. Hijl en op de schoolmr. L. Smeding uitgebragt.

Wierde daartegens uit de naam van Cornellijs Fockes verzogt dat sijn edle. mogt werden aangehouden, dezelve nominatien te moeten exprimeren en inbrengen, van welke plaatsen en uit wat hoofde zulxs deede.

Opdat konde geblijken off dezelve genoegsaam valabel waeren, wijl anders anders [sic] niet als collator konde worden erkendt, door dien niet an 't 3de articul van de ordre en reglement der h. hren. borgemren. ende raadt in Groningen de anno 1673 in dato den 21 febr hier omtrent gestatueert, quam te voldoen, en zulxs ook nader bij apostille der h. hren. borgemr. en raadt in Groningen op den requeste van Menso Hilkes en conss. gepraesenteert, verleend, was verstaan dat er dertig schatgraesen behuist landt, en ses en dertig schatgraesen onbehuist landt tot een stem zouden zijn gehorig.

Waarop door 't h. edl. gerichte van 't Cleij Oldambt is verstaan dat de hr. rekenmr. Wijchel vermeenende collator te zijn, zijne stemmen nominatim soude moeten inbrengen en exprimeren, zijnde hiertegens door de hr. rekenmr. Wijchel geprotesteert.

De stem door Cornellijs Fockes ingebragt is door de hr. rekenmr. Wijchel tegengesproken, angezien geen betalinge tot de dijk hadde gedaan, zonder zulxs naeder te adstrueren, waarop deselve door Cornellijs Fockes een extract uit 't schatregister van Woldendorp docerende dat an gem. ordre en reglement der h. hren. borgemren. ende raadt in Groningen quam te voldoen, is deselve voorbehoudens parthie zijn recht geadmitteert en daartegens door de hr. rekenmr. Wijchel geprotesteert.

De hr rekenmr. Wijchel als voren.

De hr doctor Benes sijn stem met versegelinge en extract uit 't schatregister van Woldendorp bewijzende an gem. ordre en reglement der h. hren. borgemeesteren en raadt te voldoen, is geadmitteert, als bewesen zijnde, en daarop door de hr. rekemr. Wijchel geprotesteert.

De hr. rekenmr. Wijchel als voren.

De hr. doctor Benes pretenderende de stem van Roelf Harms plaatse soo door deselve was bewoond geweest en deselve met een versegelinge en certificatie van de schatbeurder van Woldendorp en extract uit 't schatregister van Woldendorp meede an gem. ordre en reglement voldoende zijnde bevonden, is deselve geadmitteert onder protest van de hr. rekenmr. Wijchel.

De hr. rekenmr. Wijchel als voren.

De e. L. Tonkens sijn stem is geadmitteert als zijnde volgens versegelinge en extract uit 't schatregister van Woldendorp gequalificeert onder protest van de hr. rekenmr. Wijchel.

De hr. rekenmr. Wijchel als voren.

De e. Menso Hilkes zijn stem is geadmitteert, als zijnde volgens versegelinge en extract uit 't schatregister van Woldendorp gequalificeert, onder protest van de hr. rekemr. Wijchel.

De hr. rekenmr. Wijchel als voren.

De e. Wiete Luitjens sijn stem door de hr rekemr. Wijchel quaestieus wordende gemaakt, onder protest van sijn edl. en teffens dom. cit. verzogt, edoch sijn stem met versegelinge en extract uit 't schatregister van Woldendorp bewijsen an gem. ordre en reglement te voldoen, is deselve geadmitteert.

De hr. rekenmr. Wijchel als voren.

De e. Ento Tonkens sijn stem quaestieus door de hr. rekenmr. Wijchel wordende gemaakt, edocht sijn stem met versegelinge en extract uit 't schatregister van Woldendorp docerende an gem. ordre en reglement te voldoen, is deselve geadmitteert.

De hr. rekenmr. Wijchel als voren.

De e. Jan Jans sijn stem werd quaestieus gelaten als niet wordende bewesen.

De hr. rekenmr. Wijchel als voren.

De hren. Eltjo en Tammo Sijpkens stem door Cornellijs Fockens wordende ingebragd volgens volmagt in dato den 21 7br 1771, edoch niet anders wordende bewesen, is deselve door de hr. rekemr. Wijchel quaestieus gemaakt en teffens dom. cit. verzogt.

De hr. rekenmr. Wijchel als voren.

De e. Jan Derks sijn stem is door de hr. rekenmeester Wijchel quaestieus gemaakt, en tegengesproken deselve niet nader funderende.

De e. Focco Gerrijts sijn stem is door de hr. rekenmr. Wijchel quaestieus gemaakt, wordende deselve niet nader bewesen.

Door dien nu is gebleken dat geen andere personen an de ordre en reglement der h. hren. borgemren. en raad in Groningen quamen te voldoen als de onderstaande personen, namentlijk

De ouderlingen, De diaconen, Cornellijs Fockes, Dr. Benes, Dr. Benes, De e. L. Tonkens, Menso Hilkes, Wiete Luitjens en Ento Tonkens

En deselve waeren geconvenieert dat navolgende hren. praedicanten en proponent op de nominatie souden worden gebragt, als de

Hr. Joh. Hendr. Appelius, praedicant te Varik in Gelderlandt.

De hr. Liefstinck, praed. te Warffum.

De hr. Beckering, praed. te Wirdum.

De hr. Sonius, praed. te Aduart.

De hr. Gillot, prop. te Swol.

De hr. Bulthuis, praed. te Holwierda.

Het geene geschied zijnde, so wierde hier tegens door de hr. rekenmr. Wijchel geprotesteert, aldus gedaan in chiro templi in 't carspel Woldendorp, den 24 7br 1771.

H. Berghuijs, ambtman.

Inv.nr. 6343, (20 september 1777)

Aafje Wubbes voor haar zelfs en in qualite als possiderende haar overleden mans boedel impetr Ca. Den heer L. Wijchgel, waarvoor te citeren ten huize van Hinderk Eltjes te Woldendorp, als aldaar zijnde door gede gesteld domicilium citandi gede

Uit naam van der impetrante wierd door dr H. G. van Wartum als advocaat gecontendeert tot confirmatie der geemaneerde citatie, van teneur.

Ten einde gij met den impetr zult hebben te disputeren over de validiteit van eene stem ter collatie van de vacante schoolmeesters plaats van het carspel Woldendorp, zoo door de impetr ten dage van nominatie ten fine van electie van een nieuwe schoolmeester aldaar, op den 3den september 1777 in choro templi van Woldendorp is ingebragt, door gede gecontradiceert, en door het hoog ed. gerigte des Cleij Oldambts ten dien dage quaestieus gelaten, bij faute van dien gedogen dat dezelve als valide werde geadmitteert, salvo jure alio ac ulteriori.

Uit naam van gede door dr. C. Star Lichtenvoort als advocaat

zijnde verzogt salvo jure copie uit het fundament van den eijsch van den impetrante, en zulxs door der impetrants advocaat zijnde aangenomen en tevens door wederzijdsche advocaten de volmagten van hunne principalen zijnde geproduceert.

Zoo heeft het hoog edele gerigte zulks aldus ad acta brengende, dezen tegens naasten regtdag ratione officii commissoriaal gemaakt, om partijen zoo mogelijk in der minne te verenigen.

 

Menso Hilkes Ca. Dezelfde, te citeren als boven

Eadem res, eademque sententia in omnibus cum praecedente.

 

Ento Tonkens Ca. Dezelfde, te citeren als boven

Eadem res et sententia cum praecedente in omnibus.

 

De heer rekenmr. L. Wijchgel Ca. Wabbe Freeriks ouderling te Woldendorp en consorten, zijnde Jannes Cornellis, als diaken, Focco Cornellis gequalificeert van zijn moeder Aafje Wubbes, voor haar zelfs en in ql: als possiderende haar overleden mans boedel, Focco Gerrits, Nanke Heines als gevolmagtigd van dr. B. Beenes, Menso Hilkens, Ento Tonkens, Jan Derks en Jan Jans gedden.

Uit naam van den hr. impetr. wierd gecontendeert door dr. C. Star Lichtenvoort als advokaat tot confirmatie der geemaneerde citatie, van teneur.

Dat gij ter instantie van den heer reekenmeester L. Wijchgel zult moeten gedoogen dat imp gefundeert en wel gerechtigt werde verklaart tot zodaanige eerste stem of collatie, als door impt tot het verkiezen van een schoolmeester te Woldendorp, ingevolge acte in dato den 3 september jongst, in choro templi te Woldendorp ergaan, bij eene nominatie van een schoolmeester aldaar, is ingebragt.

Zo bevorens bij de provintie is bezeeten, en door wettige aankomst brieven ingevolge verzegelinge aan imp in eijgendom behoorende, en door gedden is gecontradiceert, salvo omni jure alio ac ulteriori.

Uit naam van Wabbo Freerks, ouderling te Woldendorp, wierd door dr. van Wartum als diens advokaat verzogt dat getekend werde, dat hij declareert voor de door den hr. impetr aan hem geattribueerde consorten niet te willen responderen, maar voor zig zelve verzoekt salvo jure den eijsch ad acta, productie van de blijken ter conclusie geallegeert ten fine van visie en copie, als mede exhibitie van de last op des hrn. impetrants advocaten gepasseert insgelijk ten fine van copie en visie.

Waartegen des hrn. impetrants advocaat de verzogte productie aannemende en verzoekende dat des geds declaratoir nopens de hem door den hr impetr geattribueerde consorten salvo jure in actis mogte worden getekend, en zijnde tevens door wederzijdsche advokaten de volmagten hunner principalen geproduceert.

Zoo heeft het hoog ed. gerigte zulks alles aldus ad acta brengende, dezen tevens ratione officii tegens naasten regtdag commissoriaal gemaekt, om zoo doenelijk partijen in der minne te assopieren.

Volgen meerdere gelijksoortige zaken op meerdere rechtdagen, hier niet overgenomen.

Inv.nr. 6343, (18 juli 1778)

De heer reekenmeester L. Wijchgel impetrant Ca. Wabbe Freeriks gedaagde

Wierd in deezen op voorigen regtdag in dato den 20 junij jongst uit naam van den impetrant gcontendeerd tot confirmatie van het uitgebragte mandaat, en ten dien eijnde in factis gepraemitteerd, dat wanneer deeze provincie voor ruim honderd en twintig jaaren eenige heerlijkheeden en geregtigheeden, waaronder meer dan tweehonderd en vijftig stemmen of collatien deed verkoopen, de hopman Fokko Luitjes Helmholt daarvan als toen zeeven stemmen of collatien te Woldendorp hadde aangekogt.

Dat de kooper naa gedaane betaaling door zeegel en brief in den eijgendom en posses van gemelde zeeven collatien door de provincie zijnde bevestigd, vervolgens die zeeven collatien hadde verkogt aan den heer Phoebus Themmen, ambtman in der tijd van het Kleij Oldambt.

Welke bij een voorige verkoop van heerlijkheeden en geregtigheeden bij de provincie gehouden daar en booven nog twee stemmen of collatien te Woldendorp van de provincie hadde aangekogt.

Dat deszelfs zoon de candidaat Focco Themmen gemelde neegen collatien, beneevens nog eene van eene door hem verkogte plaats afgescheiden, en dus te zaamen tien collatien uitmaakende, hadde verkogt aan den heer Regnerus Mensingh, in der tijd ambtman van het Kleij Oldambts en grootvader van den impetrant.

Dat vervolgens deeze tien collatien van voornoemden ambtman Regnerus Mensingh op des impetrants ouderen en van dezelven op des impetrants broeder de heer solliciteur Henric Wijchgel bij erffenis waaren gedevolveerd.

En eijndelijk dat gemelde tien collatien door voornoemden heer solliciteur H. Wijchgel, des impetrants broeder, zijnde verkogt aan eenen Benno Hiddema, dezelve van dien bij naderkoop door den impetrant geinstitueerd, justo titulo op den impetrant waaren overgegaan.

Dat de eerste koopers en dezelver opvolgers altijd uit hoofde van deeze tien collatien de voorregten en geregtigheeden daaruit spruitende hadden genooten en de lasten daarop vallende gedraagen.

Dat zij geduurende meer als een eeuw als supremi collatores de predikanten te Woldendorp hadden beroepen, kerkvoogden en schoolmeesters aldaar hadden aangesteld, en de onkosten tot herstelling en verbeetering der dijken weegens meergemelde tien collatien aan den lande hadden betaald.

Dat ook om deeze reedenen de heer ambtman van het Kleij Oldambt in der tijd bevoorens bij voorkoomende vacaturen te Woldendorp nimmer eene kerkelijke proclamatie tot nominatie en electie hadde laaten doen.

Dat zelfs om die zelfde reeden de h. heeren burgemeesteren en raad in Groningen bevoorens te Woldendorp gedaane beroepingen wel hadden geapprobeerd, zonder dat dezelve door de ambtman in der tijd verteekend waaren, niet tegenstaande zulks anders een requisiet is van het reglement der h. heeren burgemeesteren en raad op de beroepingen in den Oldambte etc.

Dat egter in den jaare 1771 de heer ambtman van het Kleij Oldambt had goed gevonden eene convocatie te beleggen tot formeering der nominatie van de destijds vaceerende predikants plaats te Woldendorp.

Dat ten dien eijnde als toen een stemregister zijnde opgemaakt, waarop ieder stem van den impetrant afzonderlijk was gesteld, de impetrant zig daaraan niet had willen onderwerpen, maar alle zijne tien stemmen te gelijk hadde ingebragt, dezelve fundeerende in de gedaane beroepingen te Woldendorp uitgebragt op den overleedene predikant Georgius Hijll, en op den als toen nog leevenden schoolmeester Leendert Smeeding.

Zonder dat de impetrant toen ter tijd door documenten bewees hoe veele stemmen en uit welken hoofde hem te Woldendorp competeerden, als zijnde zulks destijds den impetrant onmogelijk te adstrueeren.

Vermits de bewijzen en aankomstbrieven van deeze zijne collatien toen onder de advokaten van Benno Hiddema, van welken de impetrant deeze stemmen hadde genaert, waaren berustende.

Dat egter te dier tijd, partijen daarop aandringende, het e.e. gerigte des Kleij Oldambts naa weederzijdsche debatten, hadde verstaan dat de impetrant, vermeenende collator te zijn, zijne stemmen nominatim zoude moeten inbrengen en exprimeeren.

Dat de impetrant zig bij deze uitspraak bezwaard vindende, daarvan hadde geappelleerd, dog met die uitslag dat die afgegeevene sententie bij de h. heeren burgemeesteren en raad en vervolgens bij de hooge justitiekaamer was geconfirmeerd.

Dat hierop in den verloopenen jaare 1777 een nominatie te Woldendorp bij geleegenheid der vacatuur van de schoolmeesters plaats aldaar zullende worden gemaakt, de impetrant, om aan de voorige voormelde judicata te voldoen, zijne stemmen niet alle tien te gelijk, maar ieder afzonderlijk een voor een nominatim hadde ingebragt, en geexprimeerd uit wat hoofde tot de ingebragte stem vermeende geregtigd te zijn.

Dat de gedaagde egter hadde kunnen goedvinden daarop de eerste en volgende stemmen van den impetrant te contradiceeren.

Dat de impetrant diesweegens genoodzaakt was geworden het teegenwoordige mandaat teegen den gedaagden te emaneeren, luidende.

"Dat gij ter instantie" etc, breeder geprotocolleerd supra ad d. 20 sept. 1777.

Dat teegens dit mandaat door gedaagde nog litis contestatie zijnde gemaakt, nog exceptie geopponeerd, de impetrant diesweegens vertrouwde, hetzelve door gedaane productie te zullen fundeeren.

Dat ten dien eijnde zoude aantoonen, voor eerst, dat deeze stem bevoorens bij de provincie is bezeeten, en door wettige aankomst brieven aan den impetrant in eijgendom toebehoort.

Ten tweeden, dat dezelve door gedaagde is gecontradiceerd.

Ten derden, dat hieruit de welgefundeerdheid voortvloeit van des impetrants eijsch, ten eijnde gedaagde zal moeten gedoogen dat impetrant gefundeerd en wel geregtigd werde verklaard tot deeze ingebragte eerste stem.

En eijndelijk ten vierden, dat gedaagde des gedaane productie des impetrants regt in geenen deele enerveert.

Tot adstructie van het eerste dier vier posita provoceerde de impetrant tot de door hem geproduceerde verzeegelingen, van aankoop van de provincie en andere meede geproduceerde verzeegelingen, waarbij op zijne voorouders en vervolgens op hem impetrant was gedevolveerd.

Vooraf en tot meerdere elucidatie praemoneerende, dat wanneer, naa het sluiten van de Westphaalsche Vreede in den jaare 48 der voorleeden eeuw, deeze provincie, zoo wel als de andere zig in zwaare schulden de natuurlijke gevolgen van eene langduurigen oorlog bevond, de heeren staaten deezer provincie beslooten hadde, eenige heerlijkheeden en geregtigheeden, waaronder veele collatien wierden gevonden, te verkoopen, en ten dien eijnde daarvan een publieke aanslag door den druk hadden gemeen gemaakt.

Wwaaruit consteert, dat bij die verkooping destijds ruim tweehonderd en vijftig losse collatien van de gronden gesepareerd, door opgemelde heeren staaten zijn verkogt, te zien uit de geallegeerde publicatie van die verkoop.

Ingevolge van 't welke dan ook bij die verkoop verkogt zijnde zeeven collatien te Woldendorp, zoo avanceerde de impetrant dat daarvan destijds kooper was geworden de hopman Focco Luitjens Helmholt, volgens geproduceerde verzeegeling van den 11 julij 1660.

Dat gemelde hopman Focco Luitjens Helmholt die zeeven collatien door koop hadde getransporteerd aan den heer Phoebus Themmen, in der tijd ambtman van het Kleij Oldambt, volgens geproduceerde getransfigeerde verzeegeling in dato den 25sten maij 1676.

Dat, deeze overleeden zijnde, deszelfs zoon de heer candidaat Focco Themmen deeze zeeven collatien met nog drie anderen (waarvan twee door deszelfs vader den heer ambtman Phoebus Themmen meede van de provincie waaren aangekogt, volgens geproduceerde verzeegeling van den 17den maij 1659, en eene van zijne eijgen plaats te Woldendorp, welke hij aan Jan Grebbers hadde verkogt, en ingevolge verzeegeling van den 28 september 1693 de collatie daarvan aan zig behouden) door koop hadde getransporteerd aan den heer Regnerus Mensingh, in der tijd ambtman van het Kleij Oldambt, en grootvader van den impetrant, volgens geproduceerde verzeegeling in dato den 20sten februarij 1694.

Dat voorgemelde tien collatien bij versterf van des impetrants grootvader, den heer ambtman R. Mensingh voornoemd, waaren gedevolveerd op des impetrants moeder, en vervolgens bij versterf bij scheiding en deeling van den ouderlijken boedel te deele gevallen aan des impetrants broeder, wijlen de heer solliciteur H. Wijchgel, in leeven meede kerkvoogd te Woldendorp, volgens geproduceerde scheidbrief in dato den 13 februarij 1756.

Dat de heer solliciteur Henric Wijchgel deeze tien collatien verkogt hadde aan Benno Hiddema, volgens geproduceerde verzeegeling van den 18den october 1770.

Dat daarteegens de impetrant kragt sibtal tot de naderkoop geregtigd, het naar hadde ingesteld volgens geproduceerde mandaat in dato den 15 januarij 1771.

Met dien gevolge, dat de gedaagde Benno Hiddema, hoewel in den beginne zig hier teegens opposeerende, vervolgens egter bemerkende dat zig hier in met geen goeden uitslag partij zoude kunnen maaken, deeze aangekogte tien collatien aan den impetrant in naarkoop hadde gecedeerd volgens geproduceerde verzeegeling in dato den 21 september 1771.

Dat de impetrant, hoewel vermeende door opgemelde gedaane productien het eerste positum genoegzaam te hebben beweezen, egter om de welgegrondheid van zijnen eijsch verder aan te toonen, raadzaam geoordeeld hadde, nog eenige verdere productien te doen, om te bewijzen voor eerst, dat door deszelfs voorzaaten, als supremi collatores te Woldendorp de beroepingen van predikanten etc aldaar waaren gedaan, en ten tweeden, dat des impetrants voorzaaten weegens deeze stemmen de lasten aan den lande hadden betaald.

En allegeerde de impetrant tot adstructie van het eerste dier beijde poincten de geproduceerde beroepingen op de beijde laatste te Woldendorp overleedene predikanten uitgebragt, het eerste op dnus. Wilhelmus Bekkeringh in den jaare 1714, het tweede naa het overlijden van denzelven op dnus. Georgius Hijll in den jaare 1735, en beijde bij de h. heeren burgemeesteren en raad, en bij de weleerwaarde classis van het Oldambt en Westerwoldingeland geapprobeerd.

Dat omtrent het laatstgemelde beroep summe te noteeren stond, dat de h. heeren burgemeesteren en raad, door hetzelve te approbeeren, niet alleen des impetrants vader door zijne tien stemmen als primarius collator te Woldendorp hebben erkend, maar zelfs dit beroep zonder dat het door den ambtman van het Kleij Oldambt waare verteekend, hadden geapprobeerd.

Niet teegenstaande in het 15de art. van het reglement op de beroepingen in den Oldambte etc worde gestatueerd dat de beroepingen door den dros, ambtman of rigter ter plaats moeten worden geteekend, ten blijke dat de h. heeren burgemeesteren en raad oordeelden dat, daar hier een supremus collator was, welke door zijne meerderheid van stemmen de dispositie over het beroep hadde, de onderteekening van den ambtman in deezen niet wierde gerequireerd.

Oordeelende de impetrant dat het anders niet te vermoeden zoude zijn, dat de h. heeren burgemeesteren en raad eene beroeping, teegens derzelver respective ordres aanloopende, en uit dien hoofde informeel en onwettig zouden hebben geapprobeerd, en deduceerende teffens hieruit, dat de h. heeren burgemeesteren en raad, zijnde de wetgeever zelve, niet begreepen hebben, dat door des impetrants vader in deezen teegen hunne gestatueerde ordres was aangegaan, terwijl als dan het beroep niet met hunne approbatie zouden hebben bekragtigd.

Dat hetzelve ook gebleek uit de zark in de voorgeevel der nieuwe pastorij te Woldendorp, als waarin des impetrants broeder wijlen de heer solliciteur Henric Wijchgel, als kerkvoogd van Woldendorp bekend staat, adstrueerende daaruit dat dezelve uit geenen anderen hoofde, dan van deeze tien collatien aldaar als kerkvoogd waare geeligeerd, of liever zig zelven daartoe hadde benoemd, terwijl dezelve te Woldendorp geene andere goederen, waarvan stem geregtigd konde zijn, dan alleenlijk deeze tien stemmen, hadde bezeeten.

Dat het tweede bevoorens door den impetrant vermelde poinct, dat naamelijk des impetrants voorzaaten, weegens deeze tien stemmen de lasten aan den lande conform de ordres van de ed. mog. h. heeren burgemeesteren en raad ingevolge derzelver geproduceerde resolutie in dato den 25 sten april 1721, beneevens eene nadere meede geproduceerde dispositie van h. dezelve op den requeste van dnus. Bekkering in dato den 19 september 1721, geblijken konde uit de geproduceerde quitancien van den dijkgraaff des Kleij Oldambts.

Waaruit consteerde dat des impetrants voorzaaten weegens tien stemmen of collatien te Woldendorp de lasten en onkosten tot herstelling der dijken hebben bekostigd en gedraagen.

De impetrant, voorts overgaande tot adstructie van deszelfs tweede positum, boven vermeld, dat namelijk deeze stem door gedaagde is gecontradiceerd.

Vermeende zulks genoegzaam uit de gerigtelijke acte in choro templi te Woldendorp in dato den 3den september 1777 ergaan, te consteeren.

En sustineerde de impetrant verders, dat uit derzelven twee voormelde en geadstrueerde posita, deszelven derde positum, of de gegrondheid van zijnen eijsch, ten mandaate vervat, middagklaar voortvloeide.

Want dat de impetrant door gedaane productien van zeegel en brieven en andere onstrafbaare bewijzen hebbende gedemonstreerd:

Aan den eenen kant dat de eijgendom van deeze stem, zoo bevoorens bij de provincie is bezeeten, wettig op hem is gedevolveerd.

Dat zijne voorzaaten meer dan een derde van een eeuw, 't welk voor alle zeegel en brief gaat, in den eijgendom en het ongestoord posses van deeze collatien waaren geweest, en als supremis collatores, zoo weegens deeze als weegens de andere soortgelijke stemmen bij 's lands hooge regeering waaren erkend geworden.

Waaromtrent de wetten dicteerden, dat naa een bezit van een derde van een eeuw, men zelfs niet schuldig is, zijne aankomst aan te toonen, maar ten eeuwigen daage daarin zal bevestigd worden volgens het Omlander landregt 4de boek 63ste articul, en het Oldambster landregt 3de boek, 34ste en 40ste articul.

Dat daarenboven zijne voorzaaten de lasten en onkosten ter herstelling der dijken weegens deeze en andere stemmen aan den lande hadden betaald.

Aan den anderen kant, dat, niet teegenstaande dat alles, de validiteit van deeze stem door gedaagde is gecontradiceerd.

Zoo vermeende de impetrant dat daaruit de gefundeerdheid van deszelven eijsch ten mandaate ten klaarsten consteerde, en gebleek, dat de impetrant geregtigd is, tot deszelven confirmatie te contendeeren, ten eijnde de gedaagde zal moeten gedoogen dat de impetrant tot de ingebragte stem gefundeerd, en wel geregtigd werde verklaard.

Tot adstructie van het vierde of laatste positum, dat namelijk gedaagdes gedaane productie des impetrants regt in geenen deele enerveerd, poseerde de impetrant, dat het door gedaagde geproduceerde request door Menso Hilkens en consorten aan de h. heeren burgemeesteren en raad gepraesenteerd tot bekooming van elucidatie omtrent de quantiteit van landerijen tot het regt van collatie onder het carspel Woldendorp gerequireerd, beneevens de daarop gevolgde dispositie geen nieuwe wet waare, maar alleen om explicatie en interpretatie noopens het onderscheid tusschen graazen en deimten.

Dat gemelde request en apostille diesweegens geen naadeel konde toebrengen aan het regt van den impetr als die zig niet fundeerde in een zeeker bepaald getal van graazen, maar in de aankoop van deeze stemmen door de staaten van deeze provincie, en door Focco Themmen separaat van de landerijen verkogt en wettig op des impetrants voorzaaten en op den impetrant zelve gekoomen, als meede in het ongestoord bezit deezer collatien geduurende meerd dan een derde van een eeuw.

Dat gemelde request en apostille eeven weinig des impetrants regt konde praejudiceeren, als bij voorbeeld de regten en geregtigheeden van den heer van Slogteren, het jus patronatus aldaar alleen hebbende zouden worden vernietigd, bij aldien de ingezeetenen van Slogteren aan de staaten deezer provincie verzogten dat, aangezien bij hen de landen niet naa jukken of graazen, maar naa akkers en matten gereekend worden, diesweegens het 5de articul 4de boek Ommelander landregt, alleen van jukken of graazen spreekende, daaromtrent nader mogte worden geinterpreteerd, en zulks daarop naa bereekening van de grootte nader door de heeren staaten wierde bepaald.

Dat ook de door gedaagde geproduceerde sententie van den heer ambtman Berghuijs in dato den 24sten september 1771, nader bij door gedaagde geproduceerde sententien van den h. heeren burgemeesteren en raad in dato den 25sten maart 1774, en van de hooge justitie kamer in dato den 20sten junij 1775 geconfirmeerd.

En waarbij de impetrant gelast was, dat, vermeenende collator te zijn, zijne stemmen nominatim moeste inbrengen en exprimeeren, den impetrant in deezen geenssints praejudiceerde, veel min eenig naadeel konde toebrengen, want dat uit de sententie der h. heeren burgemeesteren en raad geblijkt, dat destijds het dispuut niet is geweest over de validiteit van des impetrants stemmen.

Dat zelfs de partij in die sententie uitdrukkelijk zegt, dat de stemmen aan den impetrant niet waaren afgesneeden of teegengesprooken, dat ook partijen in de verbaalen der sententie bij de hooge justitiekaamer gevallen, zelve hadde geavoueerd dat impetrants voorzaaten eenige stemmen te Woldendorp van de provincie hebben aangekogt, en altijd van dezelve gejouisseerd.

Maar, dat alleenlijk destijds het poinct van quaestie was geweest, of de heer ambtman den impetrant op zijn woord, dat tien stemmen hadde, moeste gelooven, zonder dat daarvan iets door den impetrant wierde beweezen, dan wel, of de heer ambtman geregtigd was te eijschen, dat de impetrant zijne tien stemmen niet alle tegelijk, maar nominatim of ieder in 't bijzonder moeste inbrengen en exprimeeren.

Dat derhalven die sententie, alleenlijk omtrent de form van bewijs of manier van procedeeren waaren afgegeeven, en uit dien hoofde den impetrant teegenwoordig omtrent de validiteit zijner stemmen in geenen deele konden praejudiceeren.

Vermeenende derhalven de impetrant zijn regt tot deeze zijn ingebragte eerste stem, voldoende te hebben beweezen, en diesweegens tot confirmatie van zijn geemaneerd mandaat contendeerende.

Waarteegens uit naam van den gedaagden wierd gecontendeerd tot cassatie van des impetrants geemaneerd mandaat opzigtelijk deeze eerste stem, ten dien eijnde praemitteerende in factis, dat bij de laatste vacatuure der predikantsplaats te Woldendorp, door den heer Berghuijs, destijds ambtman van het Kleij Oldambt, naa voorafgegane driemaalige kerk kondiginge, zijnde gevaceerd in choro templi, aldaar tot het formeeren eener nominatie ter vervulling van die vacatuure, als toen praevie een stemregister der persoonen, zoo vermeenden stemgeregtigd te zijn, was geformeerd.

Dat vervolgens tot de stemming zijnde overgegaan, de impetrant zijne tien stemmen, niet tegenstaande dezelve separaat op het stemregister waaren gesteld, egter conjunctim alle te gelijk hadde ingebragt.

Dat hier teegens zijnde verzogt, dat de impetrant mogte worden aangehouden zijne stemmen nominatim te moeten inbrengen, en exprimeeren, van welke plaatsen en uit welken hoofde zulks deed, op dat konde geblijken of dezelve genoegzaam valabel waaren, wijl anders niet als collator konde worden erkend, als niet voldoende aan het 3de articul van het reglement der h. heeren burgemeesteren en raad op de beroepingen in den Oldambte etc, in dato den 21 februarij 1673, daarop door 't e.e. gerigte des Kleij Oldambts was verstaan, dat de impetrant, vermeenende collator te zijn, zijne stemmen nominatim zoude moeten inbrengen en exprimeeren, alles ingevolge geproduceerde sententie bij 't e.e. gerigte des Kleij Oldambts in dato den 24sten september 1771 ergaan.

Dat de impetrant van die sententie aan de h. heeren burgemeesteren en raad hebbende geappelleerd, dezelve aldaar was geconfirmeerd, ingevolge geproduceerde sententie van hun ed. moogende in dato den 25sten maart 1774.

Dat de impetrant ook van deeze sententie der h. heeren burgemeesteren en raad hebbende geappelleerd naa de hooge justitie kaamer, dezelve ook aldaar was geconfirmeerd ingevolge geproduceerde sententie van de hooge justitie kamer in dato den 20sten junij 1775.

Dat de impetrant van laatstgemelde sententie revies hebbende ingesteld, dat revies egter niet hadde gepoursuiveerd en hetzelve diesweegens ter instantie van partijen desert was verklaart ingevolge geproduceerde acten bij de hooge justitie kamer in dato den 30sten december 1776 ergaan.

Dat derhalven de voormelde sententie bij den heer ambtman van het Kleij Oldambt afgegeeven, en bij alle de volgende instantien geconfirmeerd, volkoomen begroeid en in rem judicatam was ergaan.

Dat de impetrant diesweegens aan die judicata moetende voldoen, daarom bij de electie van den teegenwoordigen predikant van Woldendorp, op den 23 julij 1777 uit voornoemde nominatie geschied, niet hadde teegenwoordig geweest, of zijne stemmen laaten inbrengen.

Dan dat de impetrant ter occasie der convocatie tot nominatie van schoolmeesters te Woldendorp in dato den 3 september 1777, bij 't e.e. gerigte des Kleij Oldambts gehouden, zijne tien stemmen aldaar op nieuws hadde ingebragt, en wel toen niet alle te gelijk, maar als de eerste, tweede, derde, etc, vermeenende hierdoor aan de voorige judicata bevoorens gemeld, waarbij gelast was zijne stemmen nominatim in te brengen, en te exprimeeren, te voldoen.

Dat hierteegens door den gedaagden, beneevens verscheide andere der collatoren (teegens welken egter de impetrant deeze zaak niet debite heeft gepoursuiveerd) zijnde verzogt, dat de impetrant mogt worden aangehouden, om te nomineeren de plaatse, waarvan vermeende deeze stem te kunnen inbrengen, beneevens den naam van de meijer, die er ten daage van aankomst op geweest was, of ten minsten die er teegenwoordig op waare.

En de impetrant hierop avanceerende dat deeze stem niet inbragte uit hoofde van een bepaald getal landerijen, maar van een plaats bevoorens bij de provincie bezeeten, en waarvan deeze stem te gelijk met nog zes andere stemmen door de provincie separaat van de landerijen waaren verkogt, en den impetrant volgens wettige aankomstbrieven toebehoorden.

Daarop naa weederzijdsche debatten deeze stem door 't e.e. gerigte des Kleij Oldambts voor gecontradiceerd was geteekend, en dezelve quaestieus gelaaten, salf regtens voor partijen om ordinaria juris via deszelven regt te uitvondigen, alles conform geproduceerde acte bij 't e.e. gerigte des Kleij Oldambts te Woldendorp in choro templi in dato den 3 september 1777 ergaan.

Dat impetrant ingevolge die sententie den gedaagden teegens naasten regtdag bij het mandaat in quaestie hebbende laaten daagen, ten eijnde te gedoogen dat impetrant gefundeerd en wel geregtigd werde verklaard tot deeze eerste stem, ook in dat mandaat geen nadere nominale expressie deezer stem hadde geinsereerd.

Dat gedaagde diesweegens sustineerde dat de impetr in deezen aan voorige judicata, waarbij gelast was zijne stemmen nominatim in te brengen en te exprimeeren, niet hadde voldaan.

Vermits niet kan gereekened worden daar aan te zijn voldaan, door alleenlijk in plaats van als vooren alle de tien stemme te gelijk in te brengen, dezelve teegenwoordig te exprimeeren, als de 1ste, 2de, 3de etc. stemmen.

Te minder, dewijl hierdoor aan 't oogmerk der voorige judicata in 't minste niet word beantwoord, strekkende de opgelegde nominale expressie, deels om te weeten tot welke der ingebragte stemmen de impetrant geregtigd mogte zijn, deels om voor te koomen dat van een en dezelfde plaats geen differente stemmen worden ingebragt.

't Welk buiten die nominale expressie ligtelijk zoude kunnen geschieden bij aldien er eene stem door de teegenwoordige bezitters der landerijen wierde ingebragt van zoodaanige plaats, waarvan de stem bevoorens separaat was afverkogt, en welke diesweegens door de eijgenaars van die stem insgelijks wierde ingebragt.

Dat ook uit dien hoofde alle des impetrants gedaane productien niets afdeeden, als uit welke niet was gebleeken nog geadstrueerd, welke de eerste, welke de tweede etc. stemmen van den impetrant zouden zijn.

Waardoor dus de gedaagde in de onmogelijkheid was, om te beoordeelen welke stemmen van den impetr de eerste, of tweede, of derde, etc zoude kunnen admitteeren, en welke van dezelve zoude kunnen teegenspreeken, gelijk ook 't e.e. gerigte om afzonderlijk over die stemmen sententie te vellen.

Te minder vermits de door den impetrant geallegeerde koop conditien alleenlijk gewaagen van zeeven stemmen onder Woldendorp door de provincie separaat van de landerijen verkogt, terwijl door den impetrant neegen zoodaanige stemmen worden ingebragt.

Gelijk ook twee van de tien van den impetrant ingebragte stemmen, ingevolge de verzeegelingen door den impetrant zelve geproduceerd, behooren onder Grijze Monniken Klooster, 't welk een apart schatregister heeft, en kerkelijk behoord onder Termunten, en welke dieshalven conform het reglement der h. heeren burgemeesteren en raad op de beroepingen in den Oldambte etc te Woldendorp niet kunnen worden ingebragt.

Dat ook de verder geallegeerde bewijzen van den impetrant, weegens door zijne voorzaaten te Woldendorp als primarii collatores uitgebragte beroepingen, als meede weegens de door burgemeesteren en raad geapprobeerde electie, zonder dat dezelve door den ambtman verteekend waare, gelijk ook weegens de zark in de voorgeevel der nieuwe pastorij te Woldendorp, waarin des impetrants broeder, wijlen de heer solliciteur Henric Wijchgel, welke geen andere stemgeregtigde goederen, behalven de stemmen thans door den impetrant ingebragt, te Woldendorp bezat, als kerkvoogd aldaar bekend staat, en eijndelijk weegens deszelven ongestoord posses geduurende meer dan een derde van een eeuw en daaruit voortvloejende praescriptie geen van allen iets ter zaake deeden.

Terwijl ingevolge des impetrants geproduceerde verzeegelingen, bevoorens de ambtmannen in der tijd meestal zelve bezitters van de thans door den impetrant ingebragte collatien waaren, en er mogelijk toen ter tijd niemand der ingezeetene is geweest, welke zijn regt wilde laaten gelden.

Terwijl de zonder des ambtmans verteekening bij de h. heeren burgemeesteren en raad geapprobeerde electie des niettemin als strijdig teegens het reglement op de beroepingen in den Oldambte etc altijd weederregtelijk bleef, en het den impetrant niet konde baaten daaruit te willen deduceeren de volkoomene persuasie der h. heeren burgemeesteren en raad omtrent de merkelijke meerderheid van stemmen te Woldendorp des impetrants voorzaten competeerende, en hieruit te adstrueeren dat de h. heeren burgemeesteren en raad te regt, uit hoofde van deeze bekende meerderheid, des ambtmans convocatie en verteekening voor onnodig hielden, terwijl niet alleen in den Oldambte, maar ook in de geheele provincie de gerigtelijke convocatie noodig is, zoo ras er zelfs maar eene stemgeregtigde behalven de primarius collator te vinden is volgens het Ommelander landregt 4de boe 6de articul.

Terwijl ook uit de zark in de voorgeevel der pastorij te Woldendorp niet konde worden beweezen, welke en hoeveele van de thans door den impetrant ingebragte collatien wettig door den heer solliciteur H. Wijchgel wierden bezeeten en thans door den impetrant konden worden ingebragt.

Terwijl eijndelijk de impetrant zeederd den jaare 1771 door begroeide sententien is gedepossideerd geworden.

Dat ook de door den impetrant geproduceerde quitancien der dijkslasten door des impetrants voorzaaten, conform raads resolutien betaald, eeven weinig afdeeden, vermits daaruit alleenlijk konde worden beweezen dat dezelve die lasten weegens tien collatien te Woldendorp hadden betaald, maar niet dat dezelve waarlijk tien collatien onder Woldendorp hadden bezeeten, veel min, dat daaruit (eeven weinig als uit de bevoorens gerefuteerde argumenten van den impetrant) zoude kunnen worden geerueerd de bij voorige judicata aan den impetrant opgelegde nominale expressie van ieder der tien collatien, door den impetrant ingebragt.

Dat ook op alle des impetrants gedaane productien reeds bevoorens teegens denzelven was gesententieerd, en die sententien begroeid, weshalven daarop ook teegenwoordig geen reflexie konde worden genoomen.

Dat des impetrants geemaneerde mandaat ook niet zonder contradictie konde worden geconfirmeerd, terwijl het zelve reeds bevoorens bij sententie van 't e.e. gerigte des Kleij Oldambts in dato den 18 october 1777 was gecasseerd, door de admissie der door zommige collatoren daar teegens geopponeerde exceptio non in tempore factae citationis, en desert verklaard door de geaccordeerde petitien van anderen der collatoren bij sententie van 't zelve gerigte in dato den 22 sten november 1777.

Dat ook uit dien hoofde al wierd het teegenswoordige mandaat ten opzigte van den gedaagden geconfirmeerd, die sententie egter voor den impetrant van geen effect konde zijn, vermits des niet te min ingevolge de eevengemelde beijde sententien die andere collatoren daar aan niet behoefden te pareeren, maar hun regt open behielden.

Dat eijndelijk de impetrant te vergeefsch het praejudicie, hem door den requeste van Menso Hilkens en consorten en de daarop opgevolgde apostille der h. heeren burgemeesteren en raad gecauseert, bepaalende de quantiteit van landerijen te Woldendorp tot het regt van collatie gerequireerd, zogtte te ontwijken door de bijgebragte hijpothese, dat een diergelijk request door de ingezeetenen van Slogteren aan de heeren staaten deezer provincie konde worden gepraesenteerd, en op gelijke wijze geapostilleerd, zonder eenig naadeel voor het jus patrionatus van den heer van Slogteren.

Terwijl dat geval in 't geheel met het teegenwoordige niet parallel is, als zijnde de heer van Slogteren aldaar unicus collator, daar des impetrants bijgebragte bewijzen, al wierden ze alle voor valide gehouden, egter niets meer zouden daar doen, dan dat de impetrant primarius collator te Woldendorp waare.

Waarmeede de gedaagde de ongegrondheid van des impetrants eijsch ter conclusie, als welke sustineert getoont te hebben aan voorige judicata niet te hebben voldaan, genoegzaam te hebben geadstrueerd, diesweegens contendeerde tot cassatie van des impetrants geemaneerd mandaat.

Waarop door den impetrant wordende gerepliceerd, refereerde zig dezelve tot deszelfs voorig gevoerde dispuut en de argumenten daarin vervat, alleenlijk tot refutatie der voornaamste argumenten, door gedaagde bijgebragt, daarbij voegende.

Dat vermeende aan de voorige judicata te hebben voldaan.

Dat gelast zijnde zijne stemmen nominatim in te brengen en te exprimeeren, diesweegens thans alle zijne tien stemmen niet te gelijk, zoo als bevoorens was geschied, maar ieder afzonderlijk of nominatim hadde ingebragt en daarbij geexprimeerd dat tot die ingebragte stem vermeende geregtigd te zijn, uit hoofde dat dezelve separaat van de landerijen meestal door de provincie bezeeten, zijnde verkogt justo titulo op hem impetrant was gedevolveerd, consteerende ook uit het reglement van zijne doorlugtigste hoogheid art. 19, dat bevoorens collatien van de landerijen of gronden konden worden gesepareerd, en de aldus gesepareerde in haar volle regt bij hetzelve reglement zijn gelaaten.

Dat ook de impetrant sustineerde, volkoomen aan de voorige judicata te hebben voldaan, doordien in de geproduceerde verzeegelingen de naamen der meijers, welke ten tijde van aankomst op de plaatsen, waarvan deeze collatien worden ingebragt, waaren, zijn geexprimeerd.

Dat, wat aangaat de soutenue van den gedaagde, dat de ingebragte stemmen niet nominatim, maar zeeven en twee te gelijk worden geadstrueerd, en uit dien hoofde niet separatim worden beweezen, vermeende de impetrant, die soutenue geheel ongegrond te zijn, terwijl door het meerder getal te bewijzen het minder getal daarin vervat van zelve beweezen is, en dus door het bewijzen van zeeven en twee stemmen ieder der zelve voor beweezen moet worden gehouden.

Ten welken eijnde ook nog tot refutatie van eenige door gedaagde gemaakte zwaarigheeden moest worden gereflecteerd, dat wel de koopconditien maar van zeeven collatien door de provincie onder Woldendorp verkogt gewaagen, maar dat zulks de valeur der beijde anderen niet infringeerd, als die uit de verzeegeling geblijken vroeger door de provincie te zijn verkogt, en welker verkoop als toen waarschijnlijk ook door gedrukte koop conditien zal zijn bekend gemaakt, hoewel dezelve thans door langheid van tijd niet meer voor handen zijn.

Dat ook, hoewel twee der ingebragte stemmen volens verzeegeling geblijken te behooren onder Grijze Monniken, dezelve egter te regte door den impetrant te Woldendorp worden ingebragt, als zijnde door de provincie voor zoodaanige in de verzeegeling verkogt, en door des impetrants ongestoord posses als zoodanige bevestigd.

Dat niet teegenstaande dus de impetrant vermeende aan voorige judicata door de dus gedaane nominale expressie zijner stemmen volkoomen te voldoen, en door gedaane productie zijn regt tot ieder der ingebragte stemmen en derzelver validitiet genoegzaam te hebben beweezen, de gedaagde evenswel thans niet over het regt van des impetrants stemmen hadde gedisputeerd, maar, dat regt in 't midden laatende, alleenlijk gezogt van het teegenwoordige mandaat af te koomen, door te disputeeren dat thans voor als nog over de valeur van des impetrants stemmen eijgentlijk geen verschil was, maar alleenlijk of impetrant dezelve conform voorige judicata nominatim hadde ingebragt, en geexprimeert.

Dat de impetrant, behalven dat oordeelde daaraan ten vollen te hebben voldaan, vermeende dat dit avances waaren, welke thans niet te pas kwaamen, terwijl hier een mandaat was, dat gedaagde zoude moeten gedoogen dat impetrant tot zoodaanige stem als bevoorens bij de provincie of bij een gedesigneerde particulier was bezeeten, en door wettige aankomstbrieven op hem gekoomen, en door gedaagde gecontradiceerd was, gefundeerd en wel geregtigd werde verklaard.

Dat teegens dit mandaat geen litis contestatie of exceptie door den gedaagden zijnde gemaakt, diesweegens alleen op dit mandaat en daarop gevolgde productien regt moest worden gedaan, en dat thans niet de vraag was, of impetrant deszelfs ingebragte stem naader moeste exprimeeren, maar of tot de ingebragte en door gedaagde gecontradiceerde stem geregtigd was.

Dat voorts de soutenue van den gedaagden, als of de impetrant zeedert den jaare 1771 door begroeide sententien uit het posses van zijne stemmen was geraakt, in geenen deele door gedaagde wierd beweezen.

Terwijl zulks nimmer nog uit de sententie van den ambtman, nog uit die van de h. heeren burgemeesteren en raad, nog uit die van de hooge justitie kaamer met eenige mogelijkheid konde worden geerueerd.

Dat ofschoon de impetrant, vermits de nominatie van predikanten niet naa zijn genoegen was, zig niet bij de electie van den predikant in dato den 23 junij 1777 hadde gesisteerd, als daarop geen stemmen willende inbrengen, hij egter daardoor niet konde worden gereekend uit het bezit te zijn geraakt, vermits zulks morae voluntatis was geweest, daarom interruptie van 't posses te bewijze, actus contrarii door gedaagde hadden moeten worden aangetoond volgens stads constitutie van praescriptie art. 18 en 't Oldambster landregt 3de boek art. 47.

Dat ook daarenboven de impetrant bij de laatst gehoudene convocatie tot nominatie van schoolmeesters zig in den eijgendom zijner stemmen, die met zeegel en brieven aantoonde, hadde gefundeerd volgens de acte in choro templi te Woldendorp van den 3den september 1777, en dus zelfs met den gedaagden daar over geen verschil hadde gehad.

Dat ook het geavanceerde door gedaagde, als of op impetrants producties reeds bevoorens zoude zijn gesententieerd, geheel bezijden de waarheid was.

Dat wel de impetrant in de voorige proceduires daarvan productie hadde gedaan om daardoor zijn regt aan te toonen, maar dat egter daarop geen regt was gedaan, vermits partijen zig destijds nooit op het poinct van regten hadden willen inlaaten, maar alleen hadden gedisputeerd over de manier van procedeeren, welke in cas van nominatien etc moeste worden in agt genoomen.

Dat partijen toen zelfs hadden geavoueerd, dat des impetrants voorzaaten eenige stemmen te Woldendorp hadden bezeeten, dat die stemmen aan den impetrant niet waaren of wierden bedisputeerd of afgesneeden, maar dat souteneerden dat impetrant niet gefundeerd was tot het als toen ingestelde appel, vermits zig aan het geformeerde stemregister, waarop zijne tien stemmen niet te gelijk, maar ieder afzonderlijk waaren gesteld, hadde moeten onderwerpen, voornamelijk daar hij bij het formeeren van dat stemregister zig daarteegens niet hadde geopponeerd.

Dat eijndelijk het argument van gedaagde, dat bij aldien dit mandaat wierde geconfirmeerd, de impetrant egter geen effect van de sententie zoude kunnen genieten, terwijl ditzelfde mandaat ten opzigte van verscheide anderen, welke op dit mandaat als consorten van den gedaagden waaren gesteld, reeds bevoorens was gecasseerd, of desert verklaard, geen steek hield.

Ten welken eijnde de impetrant reflecteerde, dat die als consorten ten mandaate gebragte persoonen door den impetr niet teegens den eersten regtdag zijnde geciteerd, daarvan hadden gebruik gemaakt, en zommigen hunner door de geopponeerde exceptio non in tempore factae citationis, anderen door hunne ingediende petitien, beijde bij 't e.e. gerigte geaccordeerd, daardoor alleenlijk die persoonen van de instantie waaren gelibereerd, maar geensints het mandaat zelve gecasseert, en dus de impetrant daardoor geenssints in posterum zijn regt teegens dezelven hadde verlooren.

Dat ook bij aldien gedaagde geoordeeld hadde dat op dit mandaat reeds was gesententieerd, en hetzelve gecasseert, als dan door gedaagde de exceptio rei judicatae hadde moeten worden geopponeerd, welke egter even weinig zoude zijn gefundeerd, als de teegenwoordige opgegeevene reflexie van gedaagde.

Waarmeede de impetrant vermeenende de bijgebragte argumenten van gedaagde genoegzaam te zijn geenerveerd, als nog contendeerde tot confirmatie van zijn geemaneerde mandaat.

De gedaagde hierop zullen antwoorden, praemoneerde dat uit de tot nog toe gevoerde dispuuten aan 't e.e. gerigte konde geblijken dat de voorige advokaten het gansch niet eens waaren geweest over de staat van quaestie.

Terwijl van zijde des impetrants daarop was aangedrongen, dat moeste worden bedisputeerd of de impetrant eijgenaar is van tien collatien te Woldendorp, en dus ook van ieder derzelve afzonderlijk.

Daar van zijde des gedaagden tot staat van quaestie was gemaakt, of de impetrant genoegzaam konde bewijzen dat aan voorige judicata in de eerste instantie in 1771 bij 't e.e. gerigte des Kleij Oldambts ergaan, en vervolgens bij de h. heeren burgemeesteren en raad en bij de hooge justitie kamer in cas de appel geconfirmeerd, en waarbij de impetrant was gelast dat, vermeenende collator te zijn, zijne stemmen nominatim moest inbrengen en exprimeeren, hadde voldaan, om ingevolge daarvan te kunnen contendeeren tot confirmatie van 't geemaneerde mandaat.

En vermeende de gedaagtde dat in het eerste poinct niet konde worden getreeden, zoo lange het tweede poinct tusschen partijen quaestieus bleef, en overzulks niet consteerde of door den impetrant aan voorige judicata was voldaan.

Het welk dan voor als nog alleenlijk het poinct van quaestie zijnde, vermeende de gedaagde omni modo te kunnen aantoonen, door den impetrant niet te zijn geschied.

Ten dien eijnde avanceerende, dat uit het voorgevallene bij de nominatie van predikanten te Woldendorp in 1771 met de daarop gevolgde sententie van de h. heeren burgemeesteren en raad en van de hooge justitie kaamer meermaalen geallegeerd, en uit het voorgevallene bij de nominatie van schoolmeesters in 1777, en het daarop door den impetrant geemaneerde mandaat in quaestie van zelven bleek dat door den impetrant aan de voorige judicata niet was voldaan.

Want dat de impetrant bij de nominatie van een predikant te Woldendorp in 1771 vermeenende tien stemmen te hebben, en op gedaane instantien en daarover gevoerde debatten bij sententie van 't e.e. gerigte des Kleij Oldambts, welke in cas de appel bij de h. heeren burgemeesteren en raad en bij de hooge justitie kamer was geconfirmeerd, en het daarvan door den impetrant ingestelde revies, door denzelven gedesereerd (alles ingevolge geproduceerde sententien en acten) zijnde gelast, dat, vermeenende collator te zijn, zijne stemmen nominatim zoude hebben in te brengen en te exprimeeren.

De impetrant daarop bij de electie van de predikant in 1777 niet zijnde verscheenen nog iemand zijnentweegen gecompareerd, en dus toen ter tijd aan die judicata niet hebbende voldaan, diesweegens toen bij de convocatie tot nominatie van schoolmeesters in dato den 3den september 1777 compareerde, en zijne stemmen zonder aan de voorige judicata te voldoen tragtte in te brengen, de gedaagde beneevens andere collatoren jouisseerende van de voorige sententien genoodzaakt was geweest, dezelve instantie als op den 24 september 1771 te repeteeren.

En terwijl de impetrant ook als toen aan de hem opgelegde nominale expressie zijner stemmen niet voldeed, de gedaagde beneeens andere collatore zig genoodzaakt hadden gevonden des impetrants ingebragte stemmen te contradiceeren op dat fundament, dat niet konden worden geadmitteert, bevoorens door den impetrant aan de voorige judicata was voldaan, gelijk dan ook daarop 't e.e. gerigte des Kleij Oldambts des impetrants ingebragte stemmen voor gecontradiceerd teekenende, deeze zaak salvo partium jure quaestieus heeft gelaaten, ingevolge geproduceerde acte in choro templi te Woldendorp in dato den 3den september 1777.

Dat ingevolge hiervan de impetrant den gedaagden Wabbe Freeriks teegens den naasten regtdag met neegen conclusies, en daar en booven nog de ouderlingen en diakenen van Woldendorp met een aparte tiende conclusie had laaten citeeren, hem Wabbe Freeriks toevoegende op ieder dier neegen conclusies agt personnen als consorten.

Dat de gedaagde Wabbo Freeriks voor die consorten niet willende respondeeren, de impetrant ook daarop aan vier van dezelve teegens den tweeden regtdag dezelfde gemelde neegen conclusien hebbende laaten vertoonen, en deeze daarteegens de exceptio non in tempore factae citationis hebbende geopponeerd, ook die exceptie door 't e.e. gerigte des Kleij Oldambts zijnde geadmitteerd, en daarvan door den impetrant niet zijnde geappelleerd.

Hierdoor gemelde neegen conclusien door den impetrant teegens den gedaagden Wabbe Freeriks alleen zijn vervolgd.

Dog dat in deeze tien conclusien, eeven weinig als bij het inbrengen der stemmen ter nominatie te Woldendorp den 3den september 1777 aan de opgelegde nominale expressie der stemmen door den impetrant was voldaan.

Gelijk ook niet door de door den impetrant gedaane productien.

Want dat tot die nominale expressie niet genoeg was, dat impetrant zijne stemmen opgaf als de 1ste, 2de, 3de etc, en dezelve generatim door gedaane productien zogte te bewijzen, maar dat daartoe wierd gerequireerd dat bewees 1mo dat eijgenaar of possesseur is van het gerequireerde getal graazen; 2do dat dezelve onder eene beklemminge worden gebruikt; 3tio dat zij onder een schatregister behooren, alles te zien uit het reglement der h. heeren burgemeesteren en raad op de beroepingen in den Oldambte etc, art. 7, en uit het geproduceerde request van Menso Hilkens en conss. met diens apostille.

Dan dat van dit alles niets consteerde uit des impetrant geproduceerde blijken, maar alleenlijk dat eenige collatien onder diverse schatregisters geleegen en gesepareerd van de landerijen door deszelfs voorzaaten als collatien te Woldendorp waaren aangekogt en op den impetrant gedevolveerd.

Het welk in deezen niets afdeed en op welke productien dan ook de gedaagde voor als nog zig in 't geheel niet wilde inlaaten, als niets doende tot het teegenwoordige poinct van quaestie omtrent de nominale expressie der stemmen den impetrant bij voorige judicata opgelegd.

Waarom ook op dezelve, hoewel bevoorens in de voorige procedures meermaalen geproduceerd bij geen regtbank in deezen reguard was genoomen.

Dat ook bij deeze oude productien geene nieuwen door den impetr waaren bijgevoegd.

Dat zelfs een van des impetrants praedecesseurs de heer solliciteur H. Wijchgel, zeekerlijk uit dien hoofde, zoo weinig vertrouwen op de thans door den impetrant geproduceerde blijken hadde gesteld, dat hij in de overdragt van deeze tien stemmen aan Benno Hiddema ingevolge verzeegeling in dato den 18den october 1770 wel uitdrukkelijk hadde bedongen dat tot geene verdere leverantie derzelve wilde gehouden of daarvoor aanspraakbaar zijn.

Dat ook, zoo gedaagde zig al op des impetrants gedaane productien wilde inlaaten, en avoueeren dat deeze stemmen separaat van de landerijen aangekogt voor dugtige collatien konden doorgaan, egter ook dan gemakkelijk zouden kunnen betoogen:

Dat ingevolge de bewijzen, door den impetrant zelve geproduceerd, gebleek dat van des impetrants tien ingebragte stemmen twee onder Grijze Monniken behooren, welk een apart schatregister heeft en zelfs kerkelijk onder Termunten behoort, en welke dus nimmer al wierden ze nog zoo volleedig beweezen te Woldendorp zouden kunnen worden ingebragt, als strijdig teegens het 7de en 8ste articul van 't reglement in den Oldambte etc, en teegens hoogst derzelver apostille op 't request van Menso Hilkens en conss.

Dat meede gemakkelijk zoude zijn te betoogen, dat de teegenwoordige bezitters der landerijen onder Grijze Monniken, door aankoop van de provincie eijgenaar geworden zijnde van de landerijen daaronder gehoorig, zelve praetendeeren het regt der daarop vallende collatien te kunnen exerceeren, als zijnde hun die goederen niet exempt de collatien verkogt, en van de overige regten als jagt en vissckenij daar meede geconnecteerd jouisseerende.

En eijndelijk, dat ook, al waaren des impetrants productien dugtig, al avoueerde men dat collatien separaat van de gronden in den Oldambte konden worden bezeeten, als meede dat stemmen gehoorig onder Grijze Monniken te Woldendorp konden worden ingebragt, zulks egter voor als nog geenssints in consideratie kwam, zijnde thans alleenlijk de quaestie of door den impetrant bij de laatste nominatie van schoolmeesters te Woldendorp en de daarop geemaneerd thans quaestieuse mandaaten aan de voorige judicata, waarbij impetrant gelast was zijne stemmen nominatim in te brengen en te exprimeeren, genoegzaam is voldaan, 't welk de gedaagde vermeende geenssints te zijn geschied.

Terwijl bij die nominatie en de daarop gevolgde mandaaten alleenlijk de stemmen waaren ingebragt als de 1ste, 2de, 3de etc, zonder afzonderlijke designatie niet alleen van de meijer van ieder der plaatsen, waarvan dezelven wierden ingebragt, ten tijde van aankomst of teegenwoordig, maar zelfs ook zonder designatie van het carspel of schatregister waaronder de landerijen van welke die stemmen waaren afgekogt, geleegen zijn.

Dat hadde de impetrant eene zodanige designatie nog zelfs in de conclusie geinsereerd, de gedaagde als dan nog geleegenheid gehad hadde, om te delibereeren utrum cedere an contendere vel let, of hij eenige stemmen van den impetrant behoorde te admitteeren en welke.

Daar gedaagde thans door deeze expressie van des impetrants stemmen genoodzaakt was geweest, zig teegen alle te opponeeren, wilde hij niet dulden, dat stemmen, waarvan de landerijen zoo wel onder andere schatregisters geleegen kunnen zijn, als die welker landerijen onder Grijze Monniken behooren, en welke de impetrant egter te Woldendorp zoekt in te brengen, werkelijk te Woldendorp worden ingebragt.

Gelijk dan ook 't gerigte uit die zelfde oorzaak niet zoude kunnen ontscheiden welke van des impetrants stemmen behooren te worden geadmitteert, welke gerejecteerd.

Om welk alles gedaagde vermeende zig op des impetrants gedaane productien niet te behoeven in te laaten, terwijl, al waaren dezelve nog zoo valabel, egter de wijze waarop de stemmen door den impetrant waaren ingebragt, en geadstrueerd, niet voldeed aan derzelver nominale expressie, den impetrant bij de meermaalen geallegeerde judicata opgelegd.

Dan dat daarenboven, al wilde men den impetrant concedeeren, dat bevoorens deeze stemmen te Woldendorp hadde bezeeten, de impetrant egter daaruit geene praescriptie konde adstrueeren, als zijnde zeederd den jaare 1771 et jure door de voorige begroeide judicata et facto door deszelfs absentie bij de electie van den teegenwoordigen predikant in 1777 gedepossideerd, terwijl de impetrant daardoor is versteeken geworden van de actuum frequentia, welke volgens 't Oldambster landregt 3de boek, 34ste en 47ste articuls tot de praescriptie vereischt word.

Dat ook geconcedeerd zijnde dat des impetrants posses daardoor niet geinterrumpeerd waare, egter uit dat posses geenssints de praescriptie konde adstrueeren, terwijl volgens 't Oldambster landregt 3de boek art. 45 een immemorialis possesio word vereischt tot de praescriptie van heerlijkheeden en geregtigheeden, waaronder volgens 't Ommelander landregt 4de boe 1ste articul stemmen van pastorijen meede zijn begreepen, hoedaanige immemorialis possesio van zijde van den impetrant vermeende geenssints te zijn gedmonstreerd.

Dat ook al was de gedaagde op zig zelfs ongefundeerd in zijne contradictie, dezelve egter thans daarin gefundeerd moetn worden verklaard, uit hoofde der voorige judicata, en het nu niet meer in quaestie kan koomen of die judicata te regt of te onregt zijn afgegeeven.

Zijnde dit zelfs zoo zeeker, dat iemand ook bij requeste niet vermag iets te verzoeken teegens eene voorige begroeide sententie strijdig, en wel bij poena van nulliteit eener contraire dispositie, bij aldien dezelve mogte obtineeren, volgens Voet ad. pand. de except. rei judic. § 6.

Dat bij aldien des impetrants mandaaten, th ans ten opzigte van Wabbe Freeriks wierden geconfirmeerd, en de impetrant bij volgende convocatien ingevolge van dien zijne stemmen inbragt, zulks alsdan alleen zoude kunnen doen met relatie tot Wabbe Freeriks, maar niet met relatie tot de agt overige contradicenten in initio litis ten mandaate vermeld, als welke reeds teegens den impetrant hebben getriumpheerd, 't welk contradictoir en inexsecutabel zoude zijn, en even absurd als of iemand, dien de overdrift over een mandeelig stuk lands door een der som was opgezegd, naaderhand naa dat bij begroeide sententien hadde gesuccumbeerd, egter die overdrift wilde blijven gebruiken onder praetext dat zulks deede ten opzigte van den anderen socius, welke hem geen inhibitie hadde laaten doen, en niet ten opzigte van den inhibent.

Voorts overgaande tot refutatie van de voornaamste argumenten van den impetrant, reflecteerde de gedaagde:

Dat wel de Ommelander heerlijkheeden door separatie van de regten van de funda waaren gebooren, dan dat zulks in dit geval in den Oldambte niets afdeed, alwaar hieromtrent door 't reglement der h. heeren burgemeesteren en raad een speciale contrarie wet was gestatueerd, gelijk ook de impetrant zig in deezen niet konde beroepen op het 19de articul van 't reglement van zijne doorlugtigste hoogheid, terwijl de impetrant, zoo daar van hadde willen jouisseeren, ook conform dat articul zijne collatien binnen den gepraesigeerden tijd bij den hove hadde moeten laaten registreeren.

Dat niet thans, gelijk de impetrant voordroeg, de quaestie was over 't bewijs van impetrants collatien, maar of impetrant, conform voorige judicata zijne stemmen nominatim hadde ingebragt, en dat, zoolang zulks niet was daar gedaan, in de quaestie over den eijgendom van impetrants collatien niet konde worden getreeden. Uit welk alles gedaagde, vermeenende de overige argumenten van impetrant uit het door hem bijgebragte van zelve te vervallen, en als nog contendeerende tot cassatie van des impetrants geemaneerd citatie, opzigtelijk deeze eerste stem, als niet nominatim conform voorige judicata ingebragt en geexprimeerd.

Zoo heeft het e.e. gerigte des impetrants geemaneerde mandaat opzigtelijk deeze eerste stem gecasseert.

Actum bij 't e.e. gerigte des Kleij Oldambts, Termunten saturni den 18 julij 1778.

Vervolgens komen er gelijksoortige uitspraken in de andere zaken. Deze zaken zullen daarna vervolgd zijn bij de Hoge Justitie Kamer te Groningen. Zie onderstaande notificatie daarvan aan de ambtman.

Copyright © 1995-2020 J.G. Boerema

Startpagina  -  Duurswold  -  Genealogie  -  Bronbewerkingen  -  Transcript  -  Privacy Beleid  -  E-mail